Het geheim der wetteloosheid
Verborgenheid der ongerechtigheid
Home
Favoriete links
Relevant nieuws
Artikelen
Korte artikeltjes
In English, content
Inleiding
Hoofdstuk 1 God gevonden
Hoofdstuk 2 Dwaling ontdekt
Hoofdstuk 3 Verzoeking
Hoofdstuk 4 Zondag en Sabbat
Hoofdstuk 5 Christenen en de wet
Hoofdstuk 6 Galaten en besnijdenis
Hoofdstuk 7 Geheim der wetteloosheid
Hoofdstuk 8 Opstanding en goede vrijdag VERNIEUWD!
Bijlage hfst 8 chronologische volgorde evangeli├źn
Hoofdstuk 9 Profetie├źn en onze toekomst
Hoofdstuk 5 Christenen en de wet
 


Welke wetten gelden voor christenen?

 

  1. Wat hebben de discipelen voorgeschreven?
  1. Teksten die duiden op dat sommige wetten zouden zijn afgeschaft.
  1. Het punt over de wet en de genade.

 

1. Wat hebben de discipelen voorgeschreven?

Er wordt altijd gesproken over het sabbatsjuk, terwijl het Joodse volk meestal altijd met vreugde de sabbat heeft gevierd. Net alsof de sabbat houden wel een juk is, en de zondag houden niet (inclusief hoedjes op, lang haar, rok aan, niet autorijden op zondag, in het zwart gaan). Want eigenlijk is er weinig verschil tussen orthodoxe joden en orthodoxe christenen.

Gaat het er niet gewoon om dat we Gods wil willen doen en dat God ons onze zonden wil vergeven als het fout gaat. Hij trekt ons een wit kleed aan, en wil dat we het zo veel mogelijk schoon houden. Om de woorden te gebruiken uit Johannes 8:11b ga heen en zondig niet meer.

 

Niet om onze rechtvaardigheid te verdienen, maar in liefde tot God, want Hij houdt niet alleen van gerechtigheid, maar Hij is het ook. Als God ons als burgers van het Koninkrijk beschouwt, horen wij ons dan ook niet daarnaar te gedragen!

 

Daarom zegt Jacobus in Handelingen 15:

20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.

21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.

De wet dus, en als we deze aanhoren kunnen we weten wat God van ons vraagt. De apostelen willen de nieuwe niet Joodse gelovigen niet overwelmen met allerlei wetten, maar ze geleidelijk aan kennis laten maken met alle wetten uit de bijbel.

Overigens is de hoofdvraag in Hand. 15 niet: moet er wel of geen sabbat gehouden worden, maar: moeten gelovigen uit de heidenen zich bekeren tot het Jodendom door zich te laten besnijden als overgangsceremonie (bij vrouwen werd de mikva gebruikt, de doop).

Maar het moet geen last zijn, maar een lust om Zijn wil te doen. Dit moet geleidelijk aan groeien. Voor een Jood is het al moeilijk de thora te houden met daarbij dan nog een scala van aanvullingen daarop (Talmoed), laat staan voor een niet-Jood. In onze hedendaagse maatschappij kunnen sommige wetten ook niet in praktijk gebracht worden, bijvoorbeeld dat een huis na 7 jaar naar de oorspronkelijke eigenaar terug moet.

Deze 3 á 4 wetten die de apostelen voorschrijven is een mooi maar wel noodzakelijk begin.

 

Handelingen 16:19-20

"Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich te onthouden hebben van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed."

 

Daarom moeten wij vertrouwen ten eerste op God dat hij de nieuwe bekeerling zal leiden, mede door ons gebed, ten tweede moeten we er ook op vertrouwen als het geloof van de nieuwe bekeerling echt is, dat zal hij roepen: O HEERE! Ik verlang naar uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking. Gods wet wordt immers in de synagoge voorgelezen, wij kunnen weten wat Zijn wil is.

                                  ---------------------------------

 

 

2. Teksten die duiden op dat sommige wetten zouden zijn afgeschaft.

 

 

 

Heeft de volgende tekst met de spijswetten te maken?

Markus 7

1 En tot Hem vergaderden de Farizeeën, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;

2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.

3 Want de Farizeeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.

4 En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.

5 Daarna vraagden Hem de Farizeeën en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?

6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.

7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;

8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.

9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.

10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.

11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.

12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;

13 Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.

14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.

15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.

16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.

17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.

18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?

19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.

20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.

 

Sommigen zeggen dat Yeshua/Jezus in dit stukje zei dat het niet uitmaakt of je onrein (bv. varkensvlees) voedsel eet.

Maar in dit stukje gaat het over onreine handen die rein voedsel onrein maken. De Farizeeën hadden bezwaar dat de discipelen brood aten zonder hun handen te wassen. Dit wassen van de handen is een gebod van mensen, niet van God. Yeshua/Jezus heeft het over het belang van het hart tegenover wetjes van mensen. Dingen die uit ons gaan (bijvoorbeeld onze woorden)maken ons onrein en niet vuil wat met ons voedsel naar binnen komt. Wat God rein heeft verklaard (rein voedsel), dus bijvoorbeeld rundvlees kun je niet onrein maken door het te eten met ongewassen handen. Yeshua/Jezus geeft het voorbeeld met het eren van je vader en moeder. Het is een gebod om voor je ouders te zorgen en het is niet de bedoeling om het deel wat eigenlijk voor je ouders bestemd zou zijn, om dit deel aan de armen te geven.

God zegt: je ouders eerst, dan de armen. Zij veranderen dingen ongeoorloofd, door iets wat "rein"  is "onrein" te maken. En doen Gods gebod te niet door de prioriteiten om te gooien.

 

Petrus en het laken, de onreine dieren tegelijk met reine dieren in één laken. De reine dieren waren niet onrein geworden doordat ze met de onreine dieren in een laken zaten. Dat vroeg God ook van Petrus dat hij van een rein dier zou eten wat tussen de onreine dieren zat in het laken. Cornelius was rein, ook al was hij heiden.

Hij geloofde in Yeshua/Jezus, er werd toen gereinigd door Zijn bloed. Als je onrein geworden bent door zonde, ben je na berouw en vergeving weer gereinigd. Maar het omgaan met onreine mensen maken je niet onrein, behalve natuurlijk als je meegaat in hun onreine handelingen.

 

Verder nog over de spijswetten:

 

Verder was Noach ook geheel op de hoogte van reine en onreine dieren zie Genesis 7 vers 2, van alle reine dieren 7 paar en van de onreine dieren 1 paar.

Genesis 8 vers 20 .......en hij Noach nam van al het reine vee en alle reine gevogelte...........

Genesis 9 vers 3 Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn, en vers 4 vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten.

 

In Handelingen 15 zou gesproken worden over de Noachitische wetten, dat zouden er 7 zijn, deze zouden voor alle mensen gelden:

1. Geloof in God, aanbid geen afgoden.

2. Heb respect voor God en  prijs Hem, veracht Zijn Naam niet.

3. Niet Doden.

4. Geen overspel, incest enz.

5. Niet stelen.

6. Een rechtssysteem handhaven.

7. Al het leven respecteren, geen bloed eten, geen deel van een levend dier eten, niet wreed tegen dieren zijn.

 

In Mattheus 8 vers 28 tot en met 34 wordt gesproken over dat Yeshua/Jezus boze geesten toestemming geeft in een kudde zwijnen te varen, dit zou Hij nooit gedaan hebben als ze niet onrein waren.

Mat.8:

28 En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?

30 En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.

31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.

32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.

33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.

34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken. 

                                               --------------------------------

 

 

 

Onrein.

Vaak in gereformeerde kringen wordt de wet vaak gebruikt als meetlatje, hoe bekeert ben je eigenlijk wel! We hoeven geen balk uit een ander z’n oog te halen, en we mogen zeker niet iemand als onrein achten, omdat wij vinden dat hij dit en dat fout doet. Want dat is het eigenlijk, iemand veroordelen is iemand onrein achten.

 

Ik zal een voorbeeld geven.

Op een reformatorische school ging een juffrouw trouwen met een gescheiden man, wat deden deze mensen op deze school? Er werden talloze gesprekken gevoerd met de juffrouw over dat zij zich eigenlijk niet konden vinden in haar besluit de man te trouwen. Ze wilden niet dat de kinderen op school bij de bruiloft betrokken zouden worden. Maar door deze beslissing te maken, hebben zij toen eigenlijk niet veroordeeld en haar onrein beschouwd?

Natuurlijk moet je iemand voor zonde waarschuwen, maar je mag niet veroordelen, iets wat ze dus wel deden door de kinderen niet bij de bruiloft te betrekken! Dit is iets tussen deze persoon en God (alleen de daad afkeuren en niet de persoon). Door de schoolkinderen niet te betrekken bij de feestelijkheden druk je de stempel: onrein op de persoon. Oordelen mag, veroordelen niet (veroordelen is de actie dat de kinderen niet bij de bruiloft betrokken zouden worden).

 

Ik geef een voorbeeld uit de bijbel:

Toen er een stel mannen waren die een vrouw willen stenigen omdat ze overspel had gepleegd en daarop betrapt was. Geeft de wet dat niet aan? Zijn zij hier dan niet juist bezig?

Eigenlijk volgens de wet wel.

 

Joh.8:1 Maar Jezus ging naar den Olijfberg.

2 En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.

3 En de Schriftgeleerden en de Farizeeën brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen.

4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande.

5 En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij?

6 En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.

7 En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.

8 En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde.

9 Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.

10 En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?

 

Eigenlijk zouden zij de vrouw veroordeeld hebben als zij haar hadden gestenigd, terwijl de wet daar wel zo over sprak.

Als wij dus reageren op een zonde van een ander met een reactie, anders dan: hetgeen de ander doet in twijfel te trekken en met hem/haar daarover spreken, oordelen we dan niet, of sterker: veroordelen wij dan niet?

Is het oordeel niet aan God?

 

1 Cor. 6: statenvertaling:

1 Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?

3 Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

4 Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn.

5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?

6 Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen.

7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?

8 Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.

9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?

 

1 Cor.6: Het Boek:

1 Wat recht en oordeel betreft, hoe durft u als de één tegen de ander iets heeft, recht te zoeken bij de rechtbank? 2 Waarom niet bij uw medegelovigen? Of weet u niet dat de gelovigen straks over de wereld zullen rechtspreken? Kunt u dan zulke kleinigheden nog niet eens onder elkaar oplossen? 3 Weet u niet dat wij straks over engelen zullen oordelen? Dan kunnen we dat nu toch zéker over alledaagse dingen! 4 Als er geschilpunten zijn die het dagelijks leven betreffen, kan zelfs de minste uit de gemeente daarover rechtspreken. 5 Is er geen wijs man onder u, die de twee partijen tot elkaar kan brengen? 6 Blijkbaar niet, want de ene gelovige brengt de andere voor het gerecht, voor ongelovige rechters nog wel! 7 Het is toch onwaardig dat u, als gelovigen, rechtsgeschillen hebt? Waarom bent u niet bereid onrecht te verdragen? Waarom laat u zich niet liever benadelen? 8 Maar nee, u doet zèlf uw broeders onrecht aan. Uw eigen broeders! 9 Weet u niet dat onrechtvaardige mensen geen deel zullen hebben aan het Koninkrijk van God?

 

Wij mogen oordelen of iets goed of slecht is (onder elkaar), maar wij mogen niet een soort straf uitvoeren of een andere actie wat de betreffende persoon kwetst, want dat is veroordelen!  Dus oordelen op een manier dat je iemand kan verdoemen, straffen of onrein achten.

 

Als Yeshua/Jezus, door Zijn verschrikkelijke dood, waarbij Hij de toorn van Zijn Vader over Zich heen kreeg, vergeving voor ons teweegbracht. Juist daarna moeten wij elkaar vergeven, want als Hij ons vergeeft, wie zijn wij dan, zondaars, om een andere zondaar niet te vergeven, of  juist  hen te veroordelen. Dit is het nieuwe verbond!

Luk.22:20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.

 

Daarom sprak Yeshua/Jezus daarover:

 

Luk.6:37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.

 

Mat.7:1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

 

Rom.2:1 Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.

2 En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.

3 En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?

 

Jacobus 4:11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.

12 Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?

 

Joh.13:

34 Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.

35 Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.

 

Petrus en het laken, de onreinheid:

Handelingen 10:

11 En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;

12 In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.

13 En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.

14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.

15 En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.

16 En dit geschiedde tot drie maal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.

17 En alzo Petrus in zichzelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.

18 En iemand geroepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag.

19 En als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;

20 Daarom sta op, en ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden.

21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Ziet, ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier zijt?

22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.

23 Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem.

24 En des anderen daags kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden.

25 En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.

26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.

27 En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.

28 En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.

 

Je zou bij dit stukje inderdaad kunnen denken dat God wilde dat Petrus van de onreine dieren moest eten, dat Hij de onreine dieren als rein had verklaard?

Tegen Petrus werd gezegd: slacht en eet, maar hij deed het niet! Hij verklaarde er zelfs bij dat hij nog nooit heeft gegeten iets, dat gemeen of onrein was. Maar Petrus zag alle dieren als onrein, zelfs de reine dieren temidden van de onreine, alleen al om het feit dat de reine dieren in het zelfde laken zaten als de onreine dieren.

Bovendien, al zou in Marcus 7 vers 19 bedoeld zijn dat Yeshua/Jezus alle spijzen rein verklaarde zoals gezegd wordt, Petrus had dat dan moeten weten in Handelingen 10 vers 13, dat is toch een aantal jaren later, dan had hij er toch geen moeite meer mee moeten hebben. God wil met dit visioen duidelijk maken dat de onreine dieren de reine dieren in het laken niet onrein maken. Een mens dat door Hem gereinigd is, zoals Cornelius is zeker niet onrein. Nee met dit stukje wordt bedoeld dat je mensen (geen mens, niet een dier) die Yeshua/Jezus aan hebben genomen (die dus gereinigd zijn door Zijn bloed) niet als onrein mag beschouwen. Een mens dat in Yeshua/Jezus is gaan geloven, maar zich misschien nog niet geheel aan Gods wetten houdt mag niet als onrein worden beschouwd.

 

zie Handelingen 10 vers 35.

Het Boek:

Handelingen 10:35 Hij aanvaardt ieder die ontzag voor Hem heeft en die doet wat Hij wil, ongeacht tot welk volk die persoon behoort.

 

Efeze 2:

8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;

9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme.

10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

11 Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;

12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.

13 Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.

 

Yeshua/Jezus heeft het mogelijk gemaakt voor heidenen zich bij het volk te voegen omdat ze door het bloed van Yeshua/Jezus gereinigd zijn en vergeving is toegankelijker gemaakt, waarbij de wet niet echt meer in de weg staat. De wet is op zijn plaats gezet.

 

14 Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,

15 Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende;

 

Middelmuur/afscheiding: als je een afbeelding ziet van het Tempelcomplex is deze het gedeelte wat het heidense en Joodse voorhof van elkaar scheidt.

De wet is de vijandschap omdat de heidenen onrein waren door de wet. De Christenen mogen met de Messiaanse Joden één zijn, ook al zijn ze nog niet helemaal ingeburgerd in de "Joodse" wet (eigenlijk is Gods wet de Thora, dus niet de Talmoed).

 

God wil dat wij Hem vertrouwen! Wij moeten geloven in de kracht van Zijn genade die Hij getoond heeft door Zijn offer!!

 

Kracht, welke kracht?

 

3. Het punt over de wet en de genade.

Als wij de wet volkomen houden zijn wij rechtvaardig.

Maar wij kunnen de wet niet volkomen houden, daarom zijn wij vervloekt door de wet en zijn wij een slaaf van de zonde en van de onrechtvaardigheid. Wij kunnen onze best doen de wet te houden, maar we zullen nooit en te nimmer de hele wet kunnen houden en zijn dus voor altijd slaaf.

 

Als wij geloven in Yeshua/Jezus dat Hij voor ons (in onze plaats) volkomen in rechtvaardigheid betaald heeft aan de wet en hij ons vergeving aanbiedt en wij nemen deze aan, staat onze rechtvaardigheid vast en zijn wij door Hem gereinigd.  We zijn dan vrij van de wet der zonde en wel op deze manier:

 

Als we nu gaan proberen de wet toe te passen in ons leven hoeven we niet krampachtig en  angstig te zijn de fout in te gaan. Eén fout vervloekt ons niet meer. Hoeven we daardoor niet meer zo onze best te doen ons aan de wet te houden?

Natuurlijk moeten we nog steeds erg onze best doen, als wij onze zonden zo vreselijk vinden,  hoe kunnen we daar dan nu zo lichtvaardig over denken, maar we moeten geloven dat als het mis gaat God ons genadig wil vergeven. Als wij dit niet kunnen geloven en hier niet op kunnen vertrouwen zullen we nooit die kracht hebben God te gehoorzamen.

Het geloof in de vergeving welke Yeshua/Jezus ons aanbiedt geeft ons kracht omdat Zijn offer liefde in ons opwekt waardoor wij kinderen worden en geen dienstknechten meer zijn. Een slaaf blijft bij zijn meester tot de schulden zijn afgelost. Als je onder de wet bent ben je een slaaf, omdat je schuldenaar bent. Nu Yeshua/Jezus die schulden heeft "afgelost" zijn we vrijgekocht van ons slaaf-zijn en zijn we vrij.

 

Zijn wij vrij van de wet? Nee, we zijn vrij van de vloek der wet. Als God ons door Yeshua/Jezus rechtvaardigt en reinigt, dan wil Hij ook dat wij ons als gerechtvaardigden gedragen.

 

Rom.7:

4 Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

5 Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.

6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.

 

Vrijgemaakt van welke wet?

 

Rom.8:2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

 

Wet der zonde en des doods?

 

Gal.3:10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

 

Dus we zijn vrijgemaakt van de vloek der wet. Als wij de wet niet volkomen  houden zijn we onder de vloek der wet, namelijk vol met zonde en het gevolg der zonde is de dood.

 

Kol.2:14 Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;

 

Laten we maar eens kijken wat het nou precies is, het onder de wet of onder de genade leven:

 

Gal.3:10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

Dus met andere woorden: mensen die uit de wet gerechtvaardigd willen worden en dus de genade van Yeshua/Jezus niet nodig hebben zijn onder de vloek, wat dus wil zeggen dat als je de wet niet in zijn volmaaktheid uitvoert je vervloekt bent.

11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Niemand kan de wet volmaakt volbrengen dus niemand wordt door de wet gerechtvaardigd, want de rechtvaardige: die dat, dus uit het geloof is, zal uit dat geloof leven.

12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.

De wet is niet op geloven gebaseerd, het zegt alleen maar dit en dat moet je doen, maar het zegt niet wat je moet doen als je struikelt.

13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.

Leven onder de genade is dus streven naar volmaakte heiligheid zonder daarbij de verwachting te hebben daardoor gerechtvaardigd te worden en tegelijkertijd het besef te hebben dat de zonde die we doen de vergeving daarvan duur betaald is en daardoor huiverig te zijn om te zondigen.

 

  • Als je onder de genade leeft wordt je geoordeeld op grond van je geloof.

 

Teksten onder de wet:

Romeinen 2:12,13

12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

Duidelijk dus het doen van goede dingen is belangrijker dan het alleen maar weten wat goed is door de wet. Sommigen doen goed zonder de wet te kennen. Tegen hen zal gezegd worden:

Mat. 25:

35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.

36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.

37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?

 

  • Deze mensen die dus zonder wet gezondigd hebben, worden niet geoordeeld op het feit of ze geloven of niet, maar op basis van hun werken.

 

Romeinen 3:19 tot en met 24

19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

20 Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

Dat is dus een functie der wet.

21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

22 Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

Dus om gerechtvaardigd te worden moet je geloven in het offer van Christus en dan uit dat geloof leven. Niet één goede daad zal bijdragen aan onze rechtvaardigheid, alleen Gods genade maakt ons rechtvaardig.

Dus onder de wet zijn wil zeggen: je bent onder de wet als je gelooft dat je goede daden bij zullen dragen aan je rechtvaardigmaking.

 

Galaten 4:5

5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.

6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!

7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.

Als je onder de wet bent ben je een dienstknecht van de wet, een slaaf. Maar onder de genade ben je vrij, (niet vrij om te zondigen, maar als je toch faalt ben je niet direct bij voorbaat vervloekt) bij God ben je een zoon door Yeshua/Jezus en is er altijd vergeving, dat wil niet zeggen dat je dan achteloos met de wet kan omgaan, maar wel dat Hij je wel wil vergeven en dan mag je weer met een schone lei beginnen.

 

Mat.11 vers

28 Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

29 Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.

30 Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

 

Galaten 5:18

16 En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.

17 Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.

Door het geloof in Yeshua/Jezus heeft u de Geest gekregen. De Geest getuigt met uw geest hoe u moet leven.

18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.

Alleen de wet van de liefde der genade.

19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,

20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,

21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

23 Tegen de zodanigen is de wet niet.

Hetgeen de Geest getuigt is in samenspraak met de wet.

24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.

Het vlees dus gedood welke de zonde doet.

25 Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.

Dus we moeten het vlees negeren, als dood beschouwen en alleen naar onze geest  luisteren die communiceert met de Heilige Geest.

 

Dus door het geloof in Yeshua/Jezus Christus zijn we gerechtvaardigd?

Ja, maar wat houdt dat geloven in?

 

Jacobus 2:

1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.

2 Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;

3 En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;

4 Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?

5 Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?

6 Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?

7 Lasteren zij niet den goeden naam, die over u geroepen is?

8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;

9 Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.

10 Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.

11 Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.

12 Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.

13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

14 Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?

15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;

16 En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?

17 Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.

18 Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.

19 Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.

20 Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?

21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?

22 Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?

23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.

24 Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?

25 En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?

26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.

 

Het boek: Jacobus 2:

1 Broeders, als u bij de Here Jezus Christus hoort (bij Hem, Die alle macht en majesteit heeft) maak dan geen onderscheid tussen rijk en arm. 2-3  Stel u voor dat u bij elkaar bent en er komt iemand binnen met dure kleren aan en gouden ringen aan zijn vingers, en u doet onderdanig en zegt: "Gaat u maar hier zitten, meneer. Dit is een goede plaats voor u." Maar aan de arme man, die gelijk met die ander binnenkomt, schenkt u nauwelijks aandacht. Als u dan tegen hem zou zeggen: "Blijf daar maar staan, of ga ergens op de grond zitten." 4 Dan zou u mensen op hun uiterlijk beoordelen. U zou zich laten leiden door verkeerde maatstaven. 5 Luister naar mij, broeders. God heeft de armen uitgekozen om rijk in het geloof te zijn. Het Koninkrijk van God is voor hen, want dat heeft God beloofd aan allen die Hem liefhebben. 6 Hoe kunt u dan een arme man met minachting behandelen? Hebt u niet door dat het de rijken zijn die u slecht behandelen en voor het gerecht slepen? 7 Juist zij spotten met Jezus Christus, Die voor ons zoveel betekent. 8 Het is goed om te doen wat de Here van u vraagt: "Houd net zoveel van uw medemens als van uzelf." 9 Maar als de rijken bij u een streepje voor hebben, overtreedt u de wet van God; dan zondigt u. 10 Als iemand zich aan de hele wet van God houdt, maar die op één punt overtreedt, is hij in feite net zo schuldig als iemand die de hele wet heeft overtreden. 11 Want God, Die gezegd heeft dat men geen gemeenschap mag hebben met een andere vrouw dan uw eigen, heeft ook gezegd dat u niet mag doden. Dus, als u de regel over het huwelijk niet hebt overtreden, maar wel iemand hebt vermoord, bent u toch schuldig aan het overtreden van Gods wet. 12 Spreek en handel dus volgens de onderwijzing van Jezus Christus, want daarnaar zult u geoordeeld worden. Wees u goed bewust van wat u doet en denkt! 13 Als u geen medelijden met anderen hebt gehad, zal God ook geen medelijden met u hebben. Maar als u wel medelijden met anderen hebt gehad, zal Gods medelijden het winnen van Zijn oordeel. 14 Broeders, wat voor zin heeft het te zeggen dat u christen bent als dat niet blijkt uit wat u voor anderen doet? Kunt u door zo'n geloof gered worden? 15 Als uw vriend niet genoeg te eten krijgt en bijna geen kleren heeft en u zegt tegen hem: 16 "Het beste ermee, hoor! Vat geen kou en zorg dat je niet verhongert", is dat toch zinloos als u hem niet geeft wat hij nodig heeft? 17 Het is wel duidelijk dat geloof alleen niets te betekenen heeft. U moet het ook laten blijken uit wat u doet. Geloof dat niet uit daden blijkt, is geen geloof; het is dood en zinloos. 18 Iemand zou kunnen zeggen: "Och, het hangt er maar van af hoe je het bekijkt. De één legt de nadruk op het geloof, de ander op de daden." Wel, als dat zo is, hoe kunt u mij dan uw geloof laten zien, als dat niet uit uw daden blijkt? Ik zal u mijn geloof laten zien uit wat ik doe. 19 Durven sommigen van u nog te beweren dat 'geloven alleen' genoeg is? Gelooft u dat er maar één God is? Dat is goed, maar dat geloven de boze geesten ook; zij beven van angst voor Hem! 20 Dwazen! Wanneer zult u eens leren dat 'geloven' geen zin heeft als u niet tegelijk ook doet wat God van u vraagt? Geloof dat niet met daden samengaat, is geen echt geloof. 21 Weet u niet meer dat God onze voorvader Abraham rechtvaardigde om wat hij deed? Hij gehoorzaamde, zelfs al hield dat in dat hij zijn eigen zoon op een altaar moest offeren. 22 Ziet u wat ik bedoel? Hij geloofde God en deed precies wat God van hem vroeg. Zijn geloof werd pas écht geloof door wat hij deed. 23 In de Boeken staat het zo: "Abraham geloofde God en daardoor beschouwde God hem als rechtvaardig. God noemde hem zelfs Zijn vriend." (A) 24 Hieruit blijkt dus dat een mens gered wordt door wat hij gelooft én door wat hij doet. 25 De hoer Rachab is hier ook een voorbeeld van. Zij werd gered, omdat zij de Joodse boodschappers thuis verstopte en veilig de stad uit wist te krijgen; dus door haar daden. 26 Zoals een lichaam zonder geest dood is, zo is ook geloof zonder daden dood.

 

Genesis 26:5: 'Want Abraham heeft naar mij geluisterd en zich gehouden aan wat ik hem opdroeg, aan mijn geboden, voorschriften en regels.

 

Handelingen 10:

34 En Petrus, den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is;

35 Maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.

 

(Aannemer des persoons, dus iemand die kijkt naar van welke stand je bent, rijk of arm).

 

Hebr.11:4 Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Hebr.11:6 Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.

Hebr.11:8 Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.

Hebr.11:

32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;

33 Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt;

 

Om dit alles nog makkelijker te zeggen, als je de weerman gelooft die zegt dat het gaat regenen en je dan een paraplu meeneemt is de paraplu het bewijs dat je hem gelooft.

Het één kan niet zonder het andere, het hoort bij elkaar.

 

Het bewijs dat God ons liefheeft is Yeshua/Jezus, zijn dood bewijst Zijn liefde voor ons.

Ons doen en laten bewijzen ons geloof en liefde voor God.


Home
Favoriete links
Relevant nieuws
Artikelen
Korte artikeltjes
In English, content